Bang voor je eigen gevoelens
Iedereen heeft wel een fobie. De een is bang voor spinnen, de ander heeft hoogtevrees. Maar wist je ook dat je een affectfobie kunt hebben? Een fobie voor gevoelens of belevingen in jezelf? Affectfobietherapie (AFT) helpt je je gevoelens weer te omarmen.
Je kunt bang zijn voor je eigen gevoelens. Misschien heb je geleerd om boosheid, verdriet of je behoeften weg te stoppen, bijvoorbeeld omdat je hebt geleerd dat bepaalde gevoelens ‘niet goed’ zijn. Dat kan je vroeger hebben geholpen, maar later kan het juist moeilijkheden geven. Je trekt je bijvoorbeeld terug, past je steeds aan of vindt het lastig om grenzen aan te geven. Ook kunnen klachten ontstaan zoals somberheid of angst.
In de affectfobietherapie (AFT) kijken we samen naar die gevoelens. Wat betekenen ze voor jou? En wat gebeurt er als je ze probeert te vermijden?
“Als bijvoorbeeld een kind altijd van zijn ouders hoort dat boosheid een slechte emotie is, dan leert dat kind dat boosheid een slechte emotie is. Boosheid wordt gekoppeld aan iets negatiefs en het kind leert onbewust dat gevoel niet meer te laten zien of misschien niet eens meer te voelen. Om de afwijzing van de ouders te voorkomen, is dit op dat moment een ‘helpende’ oplossing, maar later gaat dit soort patronen klachten geven.”
In de therapie draait het erom die patronen te herkennen en stap voor stap te veranderen. Dat gebeurt niet alleen in gesprekken, maar juist ook samen met anderen. In de groep hoor je verhalen van leeftijdsgenoten en deel je je eigen ervaringen. Jongeren herkennen vaak veel bij elkaar. Ze steunen elkaar en houden elkaar een spiegel voor. Dat maakt de groep een plek waar je kunt oefenen met nieuw gedrag, en waar je mag ontdekken wat je eigenlijk voelt en nodig hebt.
Affectfobietherapie helpt jongeren om hun gevoelens niet langer te vermijden, maar ze juist weer te omarmen.